Het begint met een stap

Lopen is het dichtstbijzijnde dat we hebben bij een wondermiddel. Niet als sport, niet om stappen te tellen — dan is het alweer yang. Gewoon lopen, om het lopen.

Het doet in je eentje wat anders veel moeite kost. Het vertraagt je zonder dat je het hoeft te proberen. Je ademhaling zakt, je schouders zakken, je hoofd wordt stiller met elke kilometer. Je zintuigen gaan open — je ruikt, je hoort, je voelt de lucht. Je komt terug in je lijf via de simpelste deur die er is: je benen. En buiten doet de natuur de helft van het werk; ze vraagt niks, ze presteert niet, ze is er gewoon, en als je lang genoeg met haar meeloopt begint iets in jou dat ook te doen.

En er is een tweede ding dat lopen doet. Het geeft je afstand. Vanaf een pad, met je telefoon thuis, kijk je net even van buitenaf naar het gewone leven — en zie je het helderder dan van binnenuit. Lopen is de eenvoudigste manier om weer binnen te komen in jezelf, en tegelijk de eenvoudigste manier om even buiten het hamsterwiel te staan. Begin daar. Bij bijna iedereen is het de eerste stap.

Vertragen en verstillen

Wat het lopen begint, zet de stilte door. Snelheid houdt je in je hoofd; haast maakt voelen onmogelijk. Het is pas als je echt vertraagt dat er ruimte komt voor wat er werkelijk is.

En dan, soms, helemaal stilvallen. Zitten. Niets doen. Niet om kalm te wórden — kalm najagen is alweer een doel — maar om te laten zijn wat er is. In de stilte komt boven wat de drukte weghield. Eerst onrust, vaak. Een hoofd dat protesteert, van alles wil. Laat het maar. Als je lang genoeg blijft zitten, zakt het, en eronder ligt iets stillers. Daar begint het echte voelen.

Verder lezen: Terug in je lijf